woord van a.j. schreuder
G.A. Aldus †
Gaarne voldoe ik aan het verzoek der redactie om een woord te wijden aan de nagedachtenis van de heer G.A. Aldus, de eerste directeur van de eerste Chr. Blindeninrichting in ons land, Bartimeüs te Zeist. Woensdagmorgen 26 April is de heer Aldus plotseling overleden, op 50-jarige leeftijd; hoewel hij al enige jaren lijdende was, vooral door een ernstige suikerziekte, waarvoor hij zelfs een half jaar volstrekte rust had moeten nemen, kwam zijn verscheiden toch nog gans onverwacht.
Hij werd geboren in Katwijk (Barneveld – red.), 22 Jan. 1883, en stamde uit een oude schoolmeestersfamilie. Op 19-jarige leeftijd werd hij onderwijzer en werkte achtereenvolgens aan twee stads- en drie plattelandsscholen. Na acht jaar practijk deed hij zijn intree bij het buitengewoon onderwijs: in 1910 werd hij inwonend onderwijzer aan Klein Warnsborn. Zijn toenmalig hoofd te Hoogeveen, de heer Kooijman, die zelf enige jaren op Warnsborn werkzaam was geweest, maakte me op de heer Aldus opmerkzaam en meende dat hij verschillende hoedanigheden bezat welke hem voor biezonder opvoedingswerk geschikt zouden maken. Deze opvatting is juist gebleken en in de twee jaar die hij aan het werk op Warnsborn heeft deelgenomen, heeft hij voor goed de smaak voor het onderwijs aan afwijkende kinderen beet gekregen.
Als opvoeder lag zijn kracht in zijn blijmoedige omgang, zijn liefderijk geduld en zijn onverdroten volharding; als onderwijzer lag zijn kracht in het erkennen van ieders moeilikheden en het vinden van wegen om de kinderen er over heen te helpen. Zijn practiese vindingrijkheid kwam hem hierbij zeer te stade. Daarna is hij ruim 7 jaar werkzaam geweest aan een Ulo-school in Hilversum, doch onderwijl bleef hij voeling houden met het b.o., zowel door privaatonderwijs als door pogingen om het Chr. onderwijs aan achterlike kinderen uit te breiden. Als ik me wel herinner zijn de eerste stappen voor een Chr. school voor achterliken te Utrecht van hem uitgegaan, in 1917 al.
Toen 1 Mei 1919 de Chr. blindeninrichting ,,Bartimeüs” aan het Zusterplein te Zeist met 7 leerlingen werd geopend, in het oude instituut van de heer Poppes, was de heer Aldus tot directeur gekozen. Hij heeft deze school tot bloei gebracht. Ze telt nu 60 leerlingen met 5 onderwijzers en 8 vakonderwijzers en is tans gehuisvest in de mooie ruime gebouwen aan de Utrechtscheweg met een fraai erf en flinke tuinen. Dit alles echter is opgetrokken op de grondslag van de noeste vlijt en de organisatiezin, die Aldus in het oude bekrompen gebouw aan het Zusterplein aan den dag heeft gelegd. Alleen wie zelf een inrichting van klein af heeft opgebouwd weet, mèt zijn eerste medewerkers, wat daar aan vast zit.
Naderhand heeft het bestuur de heer en Mevr. Aldus van de drukkende zorgen van het internaat ontheven, zodat hij zich geheel aan de school kon wijden. De betekenis van zijn practiese arbeid voor de ontwikkeling van het blindenonderwijs in Nederland wordt door de vakgenoten waarderend erkend en niet minder die van zijn arbeid voor de nazorg en voor de plaats der blinden in de maatschappij. Aan de arbeid der Ver. voor Chr. buitengewoon onderwijs ten behoeve van arbeidsbemiddeling en uitbreiding van werkgelegenheid voor de oud-leerlingen der scholen voor b.o. heeft hij een werkzaam aandeel genomen. In de naderhand tot stand gekomen vereniging voor Arbeid voor onvolwaardigen (A.V.O.) werd hij in het hoofdbestuur gekozen. Voor de uitbreiding van zijn braille-bibliotheek ontzag hij moeite noch kosten, de uitgave van het Chr. maandblad voor blinden verzorgde hij nauwgezet; door zijn uitnemend voorbereide schoolreizen heeft hij de techniek der schoolreizen met blinden op hoger peil gebracht; sommige er van, zoals die met zijn oudste leerlingen naar het blindencongres in Engeland, hebben de aandacht getrokken.
Hij had een vlotte pen; met zijn boeken ,,Het lichtlooze land”, (Ploegsma 1924) en ,,Blinde Hendrik” (J.H. Voorhoeve 1930), wekte hij belangstelling voor leven en lot der blinden; minder bekend is zijn smakelik jongensboek over de lotgevallen van een paar hollandse jongens die zich een bestaan in Canada schiepen (Callenbach 1918); enige tijd geleden had hij het plan opgevat om een soortgelijk boek als Blinde Hendrik te schrijven over het levenslot van een achterlike knaap.
Aldus heeft het niet gemakkelik gehad in zijn leven. Hij was steeds overladen met werk, doordat zijn geest meer arbeid zocht en vond dan zijn lichamelik gestel en zijn levens- en werktempo veroorloofden. Herhaaldelik werd zijn gezin door ziekte zwaar bezocht, en in zijn omgang met mensen heeft hij veel teleurstelling ondervonden. Maar in de omgang met zijn leerlingen en in de liefde van het gezin voelde hij zich gelukkig.
Onder grote belangstelling werd hij op een schone lentedag ter aarde besteld. Een schare blinde kinderen zong aan zijn graf. Woorden van afscheid werden gesproken door de voorzitter van zijn bestuur, door zijn predikant, door een der onderwijzers, door vertegenwoordigers van de A.V.O. en van de Ver. voor Chr. B.O., en Dr. van Voorthuijsen schetste zijn verdiensten voor het blindenonderwijs.
Zijn arbeid heeft vrucht gedragen en zal vrucht blijven dragen.
A.J. Schreuder.
